Startpagina
Favorieten

De alternatieve encyclopedie



 


Klik op de foto!
Orgel
Geplaatst op zaterdag 13 november 2010

Het orgel is één van de oudste instrumenten. De oorsprong van het orgel ligt in de panfluit. Allebei de instrumenten bestaan uit een aantal pijpen. Bij de panfluit komt de lucht uit de mond van de speler. Bij het orgel gaat het via een balg, net als bij een accordeon. Het eerste echte orgel is ontstaan in de 3e eeuw v. Chr. De orgels uit deze tijd hadden balgen die met de hand of de voet bediend werden. Om tonen te kunnen maken maakte men gebruik van schuiven. In een schuif zat een gat. Door de schuif uit te trekken kwam het gat op één lijn met de orgelpijp, en kon er lucht uit de windkast de pijp in. Om een toon te stoppen duwde men de schuif weer in. Uit deze schuiven zijn later de toetsen van een orgel ontwikkeld.
Naast de grote orgels kwamen vroeger ook nog het positief, portatief en het bijbelregaal voor. Dit waren kleine orgels. Het positief werd door één persoon bespeeld, terwijl de tweede de balg bediende. Het portatief werd door één persoon bespeeld: de linkerhand bediende de balg, de rechter de toetsen. Het bijbelregaal had de vorm van een boek en kon na gebruik worden opgevouwen.

Het orgel is een vrij ingewikkeld instrumen en bestaat uit verschillende onderdelen:

Pijpen:
Er bestaan drie verschillende soorten pijpen (zie afbeelding rechts):

a. Open lippijpen
b. Gedekte lippijpen
c. Tongpijpen

Lippijpen worden ook wel labiaalpijpen genoemd. Lippijpen lopen aan de onderkant taps toe. Dit gedeelte wordt het onderlabium genoemd. Het onderlabium is boven afgesloten door een plaatje met een spleet erin. Het deel boven de spleet heet het bovenlabium. In het bovenlabium wordt de lucht die van onderen komt verdeeld. Een deel gaat naar buiten, een ander deel gaat in de pijp trillen en zorgt voor een toon.
De tongpijp ziet er anders uit en geeft ook een andere toon. Tongpijpen hebben ook een onderlabium. Dit is aan de bovenkant helemaal dicht. Hierin zit een verticale opening, waarin aan de onderkant een pijp zit. Aan de pijp zit de tong. De tong gaat trillen door de lucht die uit de onderkant komt en er ontstaat een toon die versterkt wordt door de beker. De toon kan beïnvloed worden door een stemkruk. Dit is een metalen draad die de tong op een bepaalde plaats tegen de pijp aandrukt.

De labiaalpijpen kunnen open, halfgedekt en gedekt zijn. Deze termen slaan op de bovenkant van de pijp. Daar zit een deksel: de hoed. Een open pijp geeft een toon die een octaaf (8 tonen) hoger ligt dan een gedekte pijp van dezelfde lengte. Bij de halfgedekte pijp zit in de hoed een buisje: het roer.
De tongpijpen zijn open of halfgedekt. Ze zijn nooit gedekt omdat anders de ingeblazen lucht niet wegkan. Zie ook het plaatje boven.
Het verschil in het soort pijp, lengte, doorsnede en materiaal komt tot uiting in de klank die het geeft. Gedekte pijpen geven een klank die zich gemakkelijk versmelt met die van andere registers. Open pijpen geven een krachtige klank die ver draagt en duidelijk herkenbaar is. Tongpijpen hebben vergeleken met de labiaalpijpen een helder, doordringend geluid.
Een rij in toonhoogte verschillende pijpen met dezelfde soort klank wordt een register genoemd. Een register kan worden vergeleken met een bepaald muziekinstrument. De registers hebben allemaal een eigen functie. Bepaalde registers kunnen zelfstandig gebruikt worden, anderen dienen ter aanvulling.

Windlade:
De orgelpijpen staan op de windlade: een houten kist die een centrale plaats in het orgel inneemt. De kist is in vakken verdeeld. Het aantal vakken komt overeen met het aantal toetsen op de manualen. Aan de onderkant van elk vak zit een opening voor het speelventiel dat in verbinding staat met een toets van een manuaal of pedaal. Aan de bovenkant zitten ook openingen. Het aantal komt overeen met het aantal registers. Op deze openingen staan de pijpstokken, waarop afhankelijk van het register één of meer orgelpijpen komen te staan.

Windvoorziening:
De lucht die via de windlade naar de orgelpijpen gaat komt uit de windvoorziening. Vroeger waren dit een aantal blaasbalgen die met de hand of de voet bediend werden. Tegenwoordig gaat het met een elektrische ventilator.

Tractuur:
De tractuur is de verbinding tussen de manualen, het pedaal en de registerknoppen aan de ene kant en de windlade aan de andere kant. Vroeger ging dit allemaal mechanisch. D.m.v. stangen e.d. Aan het eind van de 19e eeuw werd de pneumatische tractuur ontwikkeld. Hierbij werd gebruik gemaakt van een buizenstelsel dat de speelventielen pneumatisch van lucht voorzag. Tegenwoordig kan het ook elektrisch. Dit heeft als voordeel dat de speeltafel op grotere afstand van de orgelkas geplaatst kan worden.

Klaviatuur:
De klaviatuur omvat de manualen (klavier), het pedaal en de registerknoppen. Vroeger had het orgel maar één manuaal, later werden het er drie of vier, of soms zelfs vijf. De toonomvang van de manualen is in de loop van de tijd ook uitgebreid. Het pedaal had vroeger een hulpfunctie, later kreeg het een aantal eigen stemmen. Vanaf de 15e eeuw zijn de manualen en het pedaal gekoppeld. Het voordeel hiervan is dat het laten samenklinken van tonen makkelijker wordt.
De registers worden in werking gesteld door knoppen uit te trekken (of soms in te duwen). Elk manuaal heeft zijn eigen groep registers.

Opstelling:
De pijpen worden in verschillende kassen opgesteld, die elk een eigen naam hebben. Het grote orgel (hoofdwerk) staat in het midden, en wordt bediend door een apart manuaal. Aan weerszijden staan pedaaltorens. Hierin staan de pijpen die door de pedalen bediend worden. Vanaf de 18e eeuw is er ook een zwelkast aanwezig. Hiermee kunnen tonen geleidelijk in sterkte toenemen of afnemen. Boven het hoofdwerk staan weer andere pijpen die het bovenwerk genoemd worden. Eronder en boven de klaviatuur het borstwerk. Soms staan er achter de organist ook nog pijpen en die worden dan het rugwerk genoemd.